Dirk Rabaey leidt het onderwerp in. Hij ziet de oorzaak van delocalisatie als volgt. Ingenieurs zijn goedkoper in het buitenland (China: 1/4, India: 1/5, maar ook significant goedkoper in Spanje en Canada). De concurrentie wordt steeds groter, en bedrijven moeten kiezen tussen delocaliseren of ten onder gaan. Door deze evolutie is de “backbone” van de economie in gevaar, namelijk de economische activiteit waarmee de dienstensector gefinancierd wordt verdwijnt, waardoor ook de diensteneconomie niet kan blijven bestaan.
De oplossingen kunnen gegroepeerd worden in een drietal puntjes. Ten eerste dient opgemerkt te worden dat de drijfveer economisch is. Aangezien de lonen van de werknemers niet verlaagd kunnen worden, moeten de lasten naar beneden. Dat is trouwens de reden waarom ingenieurs in Canada zoveel goedkoper zijn. Verder moet ook R&D ondersteund worden (ook financieel) door de overheid. Ten tweede is het een foute redenering te gaan denken dat omdat het de multinationals zijn die delocaliseren, meer gaan investeren in KMO’s een oplossing is. Terugplooien op de eigen regio is fout. Net in meer mondialisering moeten we de oplossing zoeken. Zo zouden bijvoorbeeld KMO’s moeten geholpen worden ‘patenten’ (sic) te nemen. Ten derde schort er iets aan het ondernemersklimaat in België. De universiteiten moeten niet alleen onderlegde technici, maar ook bedrijfsleiders opleiden. We moeten voorop lopen wat betreft de innovatie in onze bedrijven. Er moet ook meer op lange termijn gedacht worden. En we moeten af van de trend een ondernemer te bekijken als een melaatse en veel geld verdienen als een ziekte. Ondernemen moet juist gestimuleerd worden.
Moderator: Wat kunnen we doen tegen delokalisatie? Wat is jullie favoriete maatregel?
Wilson De Pril meent dat het fenomeen delokalisatie, namelijk het sluiten van een bedrijf(sonderdeel) hier en het heropenen ergens anders, te verwaarlozen is. Afdelingen worden veeleerder ginder opgericht ter ondersteuning van de activiteiten hier, en dat geldt ook voor R&D. Het is wel zo dat als de overheid geen maatregelen neemt een bedrijf als Bekaert zich naar het buitenland zal verplaatsen. De eerste maatregel die moet genomen worden is de (loon)kost van onderzoekers doen dalen, het interessant maken voor onderzoekers in België te werken (veelal door het loon) en het oprichten van kenniscentra (cf. IMEC).
Dirk Van der Maelen noemt als grote voorbeeld het succesverhaal van de GSM bij Nokia. Eind jaren tachtig, begin jaren negentig ging het niet erg goed met de economie, ook niet bij Nokia. In die moeilijke periode werd er beslist te focussen op telecommunicatie en meer bepaald mobiele communicatie als een sector van de toekomst. Overheidssteun liet Nokia toe haar R&D in dit gebied verder te zetten ondanks het economisch klimaat. Ook werkte Nokia mee aan onderwijsprojecten die erop gericht waren mensen te vormen die nodig waren om dit onderzoek te doen. Deze geïntegreerde aanpak heeft duidelijk zijn vruchten afgeworpen.
Er zijn al maatregelen genomen. Zo is in oktober 2003 de bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers verlaagd met de helft voor een aantal onderzoeksinstellingen, en de lijst van die instellingen wordt binnenkort gevoelig uitgebreid. In Lissabon is er op Europees niveau afgesproken dat 3% van het BNP moet besteed worden aan R&D. Vlaanderen zit nu op 2,5%, terwijl het Europees gemiddelde op 1,8 à 1,9% zit. Het vrij goede resultaat van Vlaanderen is vooral te danken aan inspanningen van het bedrijfsleven, maar ook de overheid wil meer investeren in onderzoek, en het sociaal en fiscaal statuut van onderzoekers verbeteren. Als er meer budgetaire ruimte komt, zal de overheid nog meer doen. We hebben nood aan een verstandig beleid voor onderzoek en ontwikkeling.
Yves Willems antwoordt op de vraag of het probleem bij het onderwijs ligt. Volgens hem zal een cursus over ondernemen, die trouwens als bestaat, het mentaliteitsprobleem in onze maatschappij niet oplossen. Het is ook niet erg duidelijk waar deze discussie nu net over gaat. Spreken we over “brain drain”, namelijk over onderzoekers die naar het buitenland trekken, of over “delokalisatie”, namelijk onderzoeksactiviteiten die naar het buitenland verplaatsen? Zijn er te weinig ingenieurs of hebben we er geen nodig?
Wilson De Pril antwoordt hierop. We kunnen niet alle R&D realiseren. We moeten dus kiezen voor bepaalde sectoren, namelijk sectoren waar we al enige expertise in hebben, zoals ruimtevaart (meer bepaald satelliettechnologie), nieuwe materialen en mechatronica, en daarrond specialiseren en mensen samenbrengen. Hiervoor zijn er niet genoeg ingenieurs.
Yves Willems vervolgt zijn antwoord. Maatregelen om onderzoekers goedkoper te maken zijn natuurlijk positief. De opleiding werd en wordt ook makkelijker gemaakt om een grotere uitstroom van ingenieurs te hebben. Maar de onderzoekers die zo nodig zouden zijn, hebben geen toekomst na hun doctoraat. De bedrijven willen hen niet. Het probleem ligt bij de bedrijven die geen langetermijnonderzoek meer willen doen. Bovendien is er wel een grote ondernemerszin, getuige hiervan de talrijke spinoffs in het Leuvense in de laatste vijf à tien jaar.
Kris De Meester ziet twee belangrijke elementen in de besproken problematiek, namelijk de entiteiten (bedrijven, universiteiten, R&D-afdelingen...) en de mensen (de onderzoekers). Wat betreft de entiteiten is er niet echt sprake van delokalisatie van R&D. Het gaat meer over uitbreidingen voor het aanboren van nieuwe markten. Delokalisatie zien we vooral bij minder kennisintensieve arbeid. Enkele maatregelen om R&D ook in de toekomst hier te houden zijn: een verhoogde samenwerking tussen de verschillende actoren (bedrijfsleven, onderwijs- en onderzoeksinstellingen en overheid), een versoepelde en verminderde regelgeving, en subsidies. Ook wat betreft de mensen kunnen een aantal maatregelen genomen worden. De brain drain die al eerder vernoemd werd, gebeurt vooral naar de VSA omwille van de lagere loonkost daar. Dat verschil in loonkost heeft in de voorbije jaren hier vooral geleid tot een ver doorgedreven automatisering en daarmee samenhangend tot een sterk gestegen produktiviteit. In de VSA daarentegen was men in staat de lonen te laten stijgen. Om dit effekt tegen te gaan zouden ook hier de loonlasten moeten afnemen. Er zijn inderdaad maatregelen voorgesteld om de lasten van nog meer onderzoeksinstellingen te verminderen, maar is het nodig om dat ook te doen voor de Koninklijke Bibliotheek? De ondernemerszin moet inderdaad gestimuleerd worden, en daartoe moeten inspanningen geleverd worden door zowel onderwijs, als bedrijfsleven, als media.
Dirk Rabaey meent dat Vlaanderen kwalitatief goede ingenieurs heeft. Toch is het aantal startups te laag. Er zijn recent wel maatregelen genomen om die startups te ondersteunen, maar toch moet er ook nog meer aandacht besteed worden in de opleiding aan het leiden van een bedrijf.
Yves Willems stelt dat ondernemerszin en onderzoek helemaal niet samen hoeven te gaan. Niemand zal bijvoorbeeld betwisten dat IKEA een succesvol bedrijf is, maar wat doen zij aan onderzoek?
Dirk Rabaey vraagt zich luidop af waarom een startend softwarebedrijf wel levensvatbaar is in de VSA, maar niet hier.
Yves Willems antwoordt dat bedrijven hier voor hun software niet vertrouwen op een startup. Dat is een maatschappelijk probleem. Bovendien is het al niet makkelijk een toponderzoeker of een topbedrijfsleider op te leiden, laat staan iemand die de twee combineert. Het is beter te werken met teams, namelijk een goed onderzoeker met iemand die iets van economie afweet. In Europa kiezen we voor een stabiele maatschappij, dit wil zeggen geen grote economische pieken of dalen, maar eerder een gestadige vooruitgang. We moeten die vooruitgang ook kunnen voortzetten als het slecht gaat in de VSA, in plaats van dan ook, zij het gematigder, achteruit te gaan.
Wilson De Pril vindt dat we op een kritisch punt zijn gekomen met onze economie. Er moet een visie komen voor de toekomst. In de politiek is men maar bezig te bepalen hoe de taart moet verdeeld worden, maar we moeten eerst plannen hoe we die taart gaan bakken. In crisismomenten moet er iets verminderd en in iets geïnvesteerd worden. Het moment is gekomen om dat te bepalen, m.a.w. er moet een visie komen over hoe we geschoolden én ongeschoolden gaan inpassen in de economische toekomst van ons land. Vanuit die visie kunnen we dan ook het beleid in Europa mee sturen.
Dirk Van der Maelen stelt dat een overheid die mee plant met het bedrijfsleven, beter is dan de liberale visie van een overheid die zich niet bemoeit en alles aan het bedrijfsleven overlaat. Er moet inderdaad vanalles veranderen. Recentelijk zijn er enkele maatregelen genomen ter ondersteuning van nieuw talent. Zo zijn er geen administratieve startkosten meer voor startups, er is een inkomstenverzekering, en de “vriendenlening” is ingevoerd (een fiscaal voordeel voor mensen die investeren in een startup). Er zijn wel wat problemen in de interactie tussen onderzoek en bedrijfsleven. Zo worden soms dingen onderzocht die helemaal niet nuttig zijn voor de bedrijven. Vaak is er ook een problematische doorstroming van onderzoeksresultaten naar het bedrijfsleven toe.
Wilson De Pril vindt dat fundamenteel onderzoek nodig blijft, zelfs als de onderzoeker zelf het domein van zijn onderzoek kiest. Wel moet een deel van het fundamenteel onderzoek, alsook het toegepast onderzoek op bepaalde domeinen gericht worden. De brain drain moet omgezet worden in een brain gain door het makkelijker te maken een werk- en verblijfsvergunning te bekomen, door de lasten te verlagen...
Dirk Van der Maelen vindt dat er een groot overleg moet komen tussen overheid, onderzoek en bedrijfsleven... in september ofzo.
Dirk Rabaey vindt dat de doorstroming van onderzoeksresultaten naar het bedrijfsleven wel in orde is, maar hij is van mening dat het onderzoek aan universiteiten en onderzoeksinstellingen meer moet gestuurd worden door het bedrijfsleven. Er is trouwens wel sprake van delokalisatie van R&D. Zo is er geen groei van R&D op bijvoorbeeld het domein van breedbandcommunicatie in België, maar wel in China.
Yves Willems denkt dat het goed is dat de werkgelegenheid in de lageloonlanden stijgt. Maar deze evolutie kan zo niet blijven doorgaan. Er zal een nieuw evenwicht ontstaan wat betreft de verdeling van de rijkdom, en dat zal een betere situatie zijn (een grotere markt, meer onderzoekers...).
De moderator vraagt de sprekers wat ze denken van de stelling van een nieuwe goeroe die overgewaaid is uit de VSA, namelijk mr. Florida, die stelt dat we vooral de omgeving aantrekkelijker moeten maken om economische activiteit aan te trekken.
Wilson De Pril meent dat mr. Florida een typische goeroe uit de VSA is, en dus nogal extreme en eenvoudige standpunten moet verkondigen om aandacht te krijgen. De sociale zekerheid maakt België niet aantrekkelijk voor onderzoekers, wel integendeel. Zij maken deel uit van de betere klasse in de maatschappij en hebben dus vooral voordeel bij minder belastingen. Het extra aantrekkelijk maken van de omgeving door het voorzien van voldoende crêches etc. is slechts dat. Extra, maar helemaal niet essentieel.
Dirk Van der Maelen stelt dat de Scandinavische landen op economisch vlak erg succesvol zijn en zelfs een nog meer uitgebouwde sociale zekerheid hebben.
Kris De Meester gaat hiermee akkoord, maar denkt dat vooral de soepele en beperkte regelgeving in de Scandinavische landen positief werkt. Zo is het bijvoorbeeld niet slecht strenge milieunormen te hebben, maar ook nog eens vastleggen hoe die bereikt moeten worden zoals in België is een brug te ver. Het volstaat normen te stellen en te bepalen hoe die geëvalueerd moeten worden.
De moderator vraagt de sprekers wat er eigenlijk moet worden van de laaggeschoolden.
Wilson De Pril stelt dat er industrie moet blijven om werk te geven aan die laaggeschoolden. En dat kan. Zo is ondanks onheilstijdingen uit allerlei hoek de autoindustrie in België gebleven door de goede procesinnovatie in ons land. Maar de overheid moet dus ook die industrie ondersteunen, onder andere door laaggeschoolden te stimuleren te gaan werken (lees: door het verlagen van de werkloosheidsvergoeding).
Dirk Van der Maelen haalt een onderzoek van het farmaceuticabedrijf Johnson & Johnson aan waarin wordt gesteld dat per onderzoeker men werk geeft aan een heel aantal minder hoog opgeleide mensen (bijvoorbeeld 100 arbeiders, en 100 à 400 indirekte jobs). Door onderzoek te stimuleren zal er dus ook tewerkstelling voor laaggeschoolden gecreëerd worden.
Q: Zo werd er gevraagd waarom er alleen op de overheid werd geschoten, terwijl bedrijven werknemers ontslaan om de aandelenkoersen te doen stijgen, en terwijl bedrijven toch ook een invloed kunnen uitoefenen op de loonkost (ze betalen immers geen minimumlonen, geven extra-legale voordelen...)
A:
Dirk Rabaey zegt dat die extra-legale voordelen gegeven worden omdat werknemers toch nauwelijks effect voelen van een loonopslag (door alle belastingen die er nog afgaan).
Wilson De Pril stelt dat bedrijven helemaal niet vinden dat de lonen te hoog zijn, wel de loonkosten.
De moderator herformuleert de vraag door te stellen dat de lasten de laatste jaren al verminderd zijn, maar dat de loonkost toch gelijk is gebleven doordat de nettolonen gestegen zijn.
Wilson De Pril zoekt de oorzaak hiervoor initiëel in de hoge syndicalisatiegraad in België, maar herziet zijn argumentatie na verontwaardiging vanuit het publiek. Het kindergeld moet uit de sociale zekerheid gehaald worden, want dat betalen de bedrijven nu en dat maakt een groot deel (bijvoorbeeld 7%) van de loonkost uit.
Q: Een volgende vraag komt van een onderzoeker die nog steeds een eigen bedrijf aan het oprichten is en die verhaalt over zijn calvarie tegen de regels en zijn zoektocht naar risicokapitaal. De vraagsteller merkt op dat er wel voldoende onderzoek gebeurt en ondernemingszin is, maar de doorstroming naar de economie is problematisch. Er is niet voldoende geld voor, bijvoorbeeld om SBO’s te financieren.
A:
Dirk Van der Maelen gaat ermee akkoord dat het oprichten van een bedrijf een lijdensweg kan zijn. Er zijn wel recentelijk al enkele maatregelen genomen om ook deze problemen wat te verhelpen. Zo is er nu de “waarborglening” (de overheid staat borg voor een lening van een startup), het “Archimedesfonds” (dat moet voorzien in risicokapitaal) en het PMV (Participatiemaatschappij Vlaanderen, de opvolger van de GIMV, die moet investeren in startups). Een versoepeling van de regels is inderdaad nodig, maar dat is een werk van lange adem. Er moet inderdaad meer geld komen voor SBO’s en dergelijke.
Q: De laatste vraagsteller formuleerde zijn bekommernissen als volgt. Het is goed de nadruk te leggen op Europa, maar Europa is maar zo sterk als haar onderdelen. Er bestaat hier een “kruideniersmentaliteit”, namelijk bedrijven concurreren elkaar plaatselijk dood, waarna ze een bedrijf uit de VSA de markt laten inpikken. Er is een probleem met de administratieve rompslomp die komt kijken bij de bescherming van intellectueel eigendom. Het moet mogelijk zijn zonder al te veel belemmeringen samen te werken over de basistechnologieën, waarna dan de grotere gehelen die daaruit ontstaan, beschermd worden.